Eiwit:Creatinine ratio: verschil tussen versies
(→Interpretatie) |
|||
Regel 79: | Regel 79: | ||
== Interpretatie == | == Interpretatie == | ||
− | + | De richtlijnen zijn enkel geldig voor niet-actieve urinesedimenten. Postrenale proteïnurie (infectie, ontsteking, hematurie,...) invalideert de verhouding. Bij aanwezigheid van RBC of WBC in het sediment mag met de ratio geen rekening gehouden worden. | |
− | + | Milde verhogingen kunnen zowel prerenaal, renaal als postrenaal van oorsprong zijn. Tubulair eiwitverlies is meestal <2.0 (1.0-5.0). | |
− | + | ||
− | + | ||
− | + | ||
− | + | ||
− | + | ||
− | + | ||
− | + | ||
− | + | ||
+ | Matige tot erge verhoging >2.0 (en gewoonlijk >5.0) worden gezien bij glomerulaire aandoeningen zoals glomerulonefritis en amyloïdose. Men kan de verschillende oorzaken van glomerulopathie niet onderscheiden aan de hand van de ernst van de proteinurie. | ||
'''Monitoring PLN''' | '''Monitoring PLN''' |
Versie van 16 jan 2013 om 10:38
|


Indicaties
- Proteïnurie
- Monitoring van glomerulaire aandoening
Formule
UP:UC = Eiwit urine (mg/dL*) / Creatinine urine (mg/dL*)
*De eenheden waarin eiwit en creatinine uitgedrukt worden zijn niet van belang zolang deze maar dezelfde is.
Richtlijnen
Volgens ACVIM consensus statement[1]
Hond | |
---|---|
UP:UC | Besluit |
<0.5 | Gezond |
0.5-1.0 | Zonder azotemie: twijfelachtig, opvolgen |
>1.0 | Zonder azotemie: abnormaal, verdere diagnostische stappen |
≥0.5 | Met azotemie: therapie instellen |
>2.0 | Glomerulaire proteïnurie |
Kat | |
---|---|
UP:UC | Besluit |
<0.5 | Gezond |
0.5-1.0 | Zonder azotemie: twijfelachtig, opvolgen |
>1.0 | Zonder azotemie: abnormaal, verdere diagnostische stappen |
≥0.4 | Met azotemie: therapie instellen |
>2.0 | Glomerulaire proteïnurie |
Interpretatie
De richtlijnen zijn enkel geldig voor niet-actieve urinesedimenten. Postrenale proteïnurie (infectie, ontsteking, hematurie,...) invalideert de verhouding. Bij aanwezigheid van RBC of WBC in het sediment mag met de ratio geen rekening gehouden worden.
Milde verhogingen kunnen zowel prerenaal, renaal als postrenaal van oorsprong zijn. Tubulair eiwitverlies is meestal <2.0 (1.0-5.0).
Matige tot erge verhoging >2.0 (en gewoonlijk >5.0) worden gezien bij glomerulaire aandoeningen zoals glomerulonefritis en amyloïdose. Men kan de verschillende oorzaken van glomerulopathie niet onderscheiden aan de hand van de ernst van de proteinurie.
Monitoring PLN
Als de ratio stijgt ondanks therapie moet deze aangepast of stopgezet worden. Corticosteroïden zijn gecontraïndiceerd bij honden met GN, tenzij de onderliggende oorzaak steroïd-responsief is (bv. SLE). Uit een retrospectieve studie op honden met idiopatische GN bleek dat corticosteroïden een nefaste werking hadden: ze leiden tot azotemie en verergeren de proteinurie.