Eiwit urine: verschil tussen versies
(→Staalname) |
(→Interpretatie) |
||
Regel 61: | Regel 61: | ||
== Interpretatie == | == Interpretatie == | ||
+ | {|class="wikitable" | ||
+ | ! kwalitatief | ||
+ | ! kwantitatief | ||
+ | |- | ||
+ | | spoor | ||
+ | | ≥15 mg/dL | ||
+ | |- | ||
+ | | + | ||
+ | | ≥30 mg/dL | ||
+ | |- | ||
+ | | ++ | ||
+ | | ≥100 mg/dL | ||
+ | |- | ||
+ | | +++ | ||
+ | | ≥500 mg/dL | ||
+ | |} | ||
+ | |||
'''Oorzaken''' | '''Oorzaken''' | ||
Regel 73: | Regel 90: | ||
'''Ernst''' | '''Ernst''' | ||
− | Interpreteren in combinatie met het | + | Interpreteren in combinatie met het [[uSg|soortelijk gewicht]] en sediment. In geconcentreerde urine (>1.035) is 1+ normaal, omgekeerd is een lichte proteinurie bij laag Sg ernstiger dan dezelfde hoeveelheid in een meer geconcentreerde urine. Indien de ernst van de proteïnurie moeilijk in te schatten is moet men eiwit/kreatinine in urine berekenen (zie aldaar). Adhv andere resultaten moet men differentiëren tussen prerenale, renale en postrenale oorzaken. |
Mild tot matig, < 1 g/L, meestal tgv een tubulusletstel | Mild tot matig, < 1 g/L, meestal tgv een tubulusletstel | ||
Regel 84: | Regel 101: | ||
Toediening van potentiële nefrotoxische geneesmiddelen (aminoglycosiden) moet onmiddellijk stopgezet worden. Aminoglycosiden veroorzaken typisch eerst proteinurie vooraleer ze azotemie teweegbrengen. | Toediening van potentiële nefrotoxische geneesmiddelen (aminoglycosiden) moet onmiddellijk stopgezet worden. Aminoglycosiden veroorzaken typisch eerst proteinurie vooraleer ze azotemie teweegbrengen. | ||
Eiwitten met een MG >60.000 - 65.000 daltons en negatief geladen proteïnen (zoals albumine) worden normailter door de glomerulaire barrière weerhouden. Doorgelaten eiwitten worden grotendeels in de proximale tubuli geherresorbeerd. Het weinige eiwit dat steeds in normale urine wordt aangetroffen is voor 50% afkomstig van door de tubuli, lagere urinewegen en genitaaltractus gesecreteerde enzymes, Ig’s en mucoproteïnen. | Eiwitten met een MG >60.000 - 65.000 daltons en negatief geladen proteïnen (zoals albumine) worden normailter door de glomerulaire barrière weerhouden. Doorgelaten eiwitten worden grotendeels in de proximale tubuli geherresorbeerd. Het weinige eiwit dat steeds in normale urine wordt aangetroffen is voor 50% afkomstig van door de tubuli, lagere urinewegen en genitaaltractus gesecreteerde enzymes, Ig’s en mucoproteïnen. | ||
+ | |||
==Referenties== | ==Referenties== | ||
{{Reflist}} | {{Reflist}} | ||
[[Category:LabWijzer]] | [[Category:LabWijzer]] |
Versie van 10 mei 2013 om 17:15
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Inhoud
Indicaties
- Routine urineonderzoek
- elke urinewegaandoening
- oligurie, polyurie, polydipsie
Staalname
- Urine steeds afnemen vooraleer vloeistoftherapie ingezet wordt
- Gebruik geen bewaarmiddel
- Vermijd contaminatie met genitale secreten
Interferentie
Kwalitatieve bepaling
De dipstick eiwitbepaling is gebaseerd op het principe van de eiwitfout van een pH-indicator en is bijzonder gevoelig voor albumine. De test wordt niet beïnvloed door kinine, kinidine, chloroquine en tolbutamide, noch door een alkalische pH tot 9.
Onjuiste vals positieve resultaten kunnen worden verkregen
- na infusie van polyvinylpyrrolidon (bloedvervangingsmiddel)
- wanneer de urineopvangbeker chloorhexidine bevat of sporen van ontsmettingsmiddelen die quaternaire ammoniumverbindingen bevatten
- urine van herbivoren (konijnen, knaagdieren, paarden,...) is meestal alkalisch, en kan boven tot 9.5 gaan wat een licht vals positieve reactie kan geven voor eiwit; bemerk ook dat er geen dipsticks beschikbaar zijn die een hoger pH dan 9 kunnen weergeven, daar ze allen ontworpen zijn voor menselijke urine welke gewoonlijk een pH tussen de 5 en 7 heeft.
Vals negatieve of vals zwakke reacties zijn mogelijk wanneer andere eiwitten dan albumine het hoofdaandeel urinair eiwit uitmaken (bvb Bence-Jones eiwitten).
Interpretatie
kwalitatief | kwantitatief |
---|---|
spoor | ≥15 mg/dL |
+ | ≥30 mg/dL |
++ | ≥100 mg/dL |
+++ | ≥500 mg/dL |
Oorzaken
Belangrijkste oorzaak van proteïnurie is urineweginfectie/inflammatie. Na genezing moet het afwezig zijn in de urine. Andere oorzaken zijn hoge bloeddruk, rechter hartfalen en urinewegbloeding. Nefrose tgv glomerulonefritis en renale amyloïdose wordt geassocieerd met erge proteïnurie. De etiologische diagnose hiervan is echter moeilijk en zeer uitgebreid. Soms bij katten met iLUTD.
Voorbijgaande proteinurie heeft vele oorzaken (koorts, sterke inspanning, toevallen en veneuze stuwing van de nieren) en is zelden van belang.
Persisterende proteinurie zonder verdere tekens van inflammatie/infectie/hematurie vereist verder onderzoek. Men dient bedacht te zijn voor amyloidose, glomerulonefritis, ehrlichiose (hond) of multipel myeloma. Kan eerder in de urine verschijnen dan er veranderingen optreden in het Sg en serum ureum en creatinine.
Ernst
Interpreteren in combinatie met het soortelijk gewicht en sediment. In geconcentreerde urine (>1.035) is 1+ normaal, omgekeerd is een lichte proteinurie bij laag Sg ernstiger dan dezelfde hoeveelheid in een meer geconcentreerde urine. Indien de ernst van de proteïnurie moeilijk in te schatten is moet men eiwit/kreatinine in urine berekenen (zie aldaar). Adhv andere resultaten moet men differentiëren tussen prerenale, renale en postrenale oorzaken.
Mild tot matig, < 1 g/L, meestal tgv een tubulusletstel
Erge proteïnurie > 1 g/L, nefrose, altijd tgv glomerulair letsel
Nefrotoxiciteit
Toediening van potentiële nefrotoxische geneesmiddelen (aminoglycosiden) moet onmiddellijk stopgezet worden. Aminoglycosiden veroorzaken typisch eerst proteinurie vooraleer ze azotemie teweegbrengen. Eiwitten met een MG >60.000 - 65.000 daltons en negatief geladen proteïnen (zoals albumine) worden normailter door de glomerulaire barrière weerhouden. Doorgelaten eiwitten worden grotendeels in de proximale tubuli geherresorbeerd. Het weinige eiwit dat steeds in normale urine wordt aangetroffen is voor 50% afkomstig van door de tubuli, lagere urinewegen en genitaaltractus gesecreteerde enzymes, Ig’s en mucoproteïnen.