Insuline
Uit wikilab
|
Indicaties
- Diagnose insulinoma samen met glucose
- Differentiatie diabetes mellitus type I en type II
Staalname
UITGEVAST staal.
Hemolytische sera zijn niet geschikt aangezien erythrocyten insulinase-aktiviteit bevatten wat en invloed kan hebben op de bepaling.
Voor het aantonen van een insulinoma wordt het staal best genomen op een moment dat de glucosespiegel < 60 mg/dL (best < 50 mg/dL).
Referentie-interval
Laag | Hoog | Eenheid | Laag SI | Hoog SI | SI eenheid | ||
---|---|---|---|---|---|---|---|
Hond | 9 | 25 | mU/L | 65 | 180 | pmol/L | |
Kat | 10 | 32 | mU/L | 71 | 230 | pmol/L | |
Fret | 10 | 287 | mU/L | 71 | 230 | pmol/L | |
Paard | 10 | 30 | mU/L | 71 | 215 | pmol/L | |
Rund | 7 | 20 | mU/L | 50 | 144 | pmol/L |
Conversie
mU/L x 6.945 = pmol/L pmol/L x 0.144 = mU/L
Interpretatie
Gevaar: geen tenzij tevens hypoglycemie.
Bij hypoglycemie
Bloedglucose < 60 mg/dL en insuline > 20 mU/L diagnostisch voor insulinoma 10 -20 mU/L; insulinoma mogelijk, maar ook relatief hyperinsulinisme 5 - 10 µi/ml; insulinoma mogelijk <5 mU/L; insulinoma onmogelijk
Bij hyperglycemie
De insulinespiegel bij diabetes is nogal variabel zodat er weinig uit afgeleid kan worden IDDM: laag - normaal NIDDM: laag, normaal of verhoogd Insulineresistentie: laag, normaal of verhoogd
Toegediend insuline wordt tot 24u p.i. in het bloed teruggevonden. 24u na de laatste injectie meet men gewoonlijk < 50 mU/L.
Diabetes mellitus type I gaat meestal gepaard met < 10 mU/L. Hond IDDM bijna 100% Kat IDDM, 50-70%; NIDDM, 30-50%