Insuline: verschil tussen versies

Uit wikilab
Ga naar: navigatie, zoeken
(Referentiewaarden)
Regel 1: Regel 1:
Diagnose insulinoma samen met glucose.
+
==Indicaties==
 +
*Diagnose insulinoma samen met glucose
 +
*Differentiatie diabetes mellitus type I en type II
  
Differentiatie diabetes mellitus type I en type II.
 
 
{| class="wikitable"
 
{| class="wikitable"
 
! Doelorganen
 
! Doelorganen
Regel 18: Regel 19:
 
| 1 week
 
| 1 week
 
|}
 
|}
UITGEVAST staal.Hemolytische sera zijn niet geschikt voor deze bepaling aangezien erythrocyten insulinase-aktiviteit bevatten wat en invloed kan hebben op de bepaling.
+
 
 +
==Staalname==
 +
UITGEVAST staal.
 +
 
 +
Hemolytische sera zijn niet geschikt voor deze bepaling aangezien erythrocyten insulinase-aktiviteit bevatten wat en invloed kan hebben op de bepaling.
  
 
Voor het aantonen van een insulinoma wordt het staal best genomen op een moment dat de glucosespiegel < 60 mg/dL (best < 50 mg/dL).
 
Voor het aantonen van een insulinoma wordt het staal best genomen op een moment dat de glucosespiegel < 60 mg/dL (best < 50 mg/dL).
  
(Afcentrifugeren en plasma) gekoeld verzenden gedurende max 72u.
 
 
==Referentie-interval==
 
==Referentie-interval==
 
{| class="wikitable"
 
{| class="wikitable"

Versie van 21 jan 2013 om 23:32

Indicaties

  • Diagnose insulinoma samen met glucose
  • Differentiatie diabetes mellitus type I en type II
Doelorganen Pancreas
Staal Serum
Minimum hoeveelheid 0.2ml
Methode
Resultaat 1 week

Staalname

UITGEVAST staal.

Hemolytische sera zijn niet geschikt voor deze bepaling aangezien erythrocyten insulinase-aktiviteit bevatten wat en invloed kan hebben op de bepaling.

Voor het aantonen van een insulinoma wordt het staal best genomen op een moment dat de glucosespiegel < 60 mg/dL (best < 50 mg/dL).

Referentie-interval

Laag Hoog Eenheid Laag SI Hoog SI SI eenheid
Hond 9.0 25.0 µU/ml 65 180 pmol/L
Kat 5 20 µU/ml 36 144 pmol/L

Conversie

µU/ml x 7.18 = pmol/L
pmol/L x 0.1393 = µU/ml

Interpretatie

Gevaar: geen tenzij tevens hypoglycemie.

Bij hypoglycemie

  Bloedglucose < 60 mg/dL en insuline > 20 µU/ml diagnostisch voor insulinoma
  10 -20 µU/ml; insulinoma mogelijk, maar ook relatief hyperinsulinisme
  5 - 10 µi/ml; insulinoma mogelijk
  <5 µU/ml; insulinoma onmogelijk

Bij hyperglycemie

  De insulinespiegel bij diabetes is nogal variabel zodat er weinig uit afgeleid kan worden
  IDDM: laag - normaal
  NIDDM: laag, normaal of verhoogd
  Insulineresistentie: laag, normaal of verhoogd

Toegediend insuline wordt tot 24u p.i. in het bloed teruggevonden. 24u na de laatste injectie meet men gewoonlijk < 50 µU/ml.

Diabetes mellitus type I gaat meestal gepaard met < 10 µU/ml. Hond IDDM bijna 100% Kat IDDM, 50-70%; NIDDM, 30-50%